In De Tijd van 9 april noemde Europees commissaris van Landbouw en Plattelandsontwikkeling Mariann Fischer Boel voedselverspilling terecht even laakbaar als energieverspilling. Eten weggooien dat niet tijdig verkocht of gegeten wordt, is één vorm van voedselverspilling. Maar er zijn er nog andere. Zoals dat vaak gaat, wordt een van de belangrijkste oorzaken zelden genoemd: onze hoge vleesconsumptie.
Waarom houden de productie en consumptie van vlees een grote verspilling van voeding in? Simpel gesteld: er komt gemiddeld veel minder voedsel (gerekend in calorieën of eiwitten) uit een dier in de vorm van vlees, dan dat er in gaat in de vorm van plantaardig voedsel. Plantaardige energie kan dus niet kilogram per kilogram omgezet worden in dierlijke, en bij elke tussenschakel in de voedselketen treedt energieverlies op. Zo heb je gemiddeld zes kilogram graan nodig voor de productie van een kilogram vlees (waarbij de verhouding voor rundvlees nog negatiever uitvalt dan voor kip en varken). Zo'n veertig procent van al het graan ter wereld wordt gebruikt als veevoeder (terwijl biobrandstoffen ‘slechts' vijf procent innemen). Idem voor de sojaproductie. Ook veel van de gronden waarop momenteel vee graast, kunnen efficiënter ingezet worden wanneer we er gewassen op telen voor rechtstreekse menselijke consumptie.
Een zekere efficiëntie zal in elk geval noodzakelijk zijn, want ondertussen groeit het aantal te voeden monden gestaag. Bij een scenario van ‘business as usual' verwacht men dat de wereldbevolking van negen miljard mensen in 2050 dubbel zoveel vlees zal willen als vandaag. Dat is geen houdbare situatie. De ironie is dat velen ondertussen een verlaging van de vleesconsumptie daadwerkelijk erkennen als een deel van de oplossing voor de voedselcrisis, maar ze vervolgens van de hand doen als niet haalbaar. Zo schreef Dirk Draulans onlangs in ‘Te weinig eten' (Knack, 4 feb. 09) dat minder vlees ‘logisch, maar onrealistisch' is want ‘mensen die de smaak van vlees te pakken hebben, geven dat privilege niet graag op'. Draulans suggereert vervolgens zijn eigen oplossing: genetische manipulatie.
Nochtans bezorgt een verlaging van de vleesconsumptie ons niet alleen een deel van de uitweg uit de voedselcrisis. Ze kan ons ook helpen de groeiende gezondheidscrisis aan te pakken. Volgens een studie van de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) kunnen we het aantal doden aan hart- en vaatziekten in Europa per jaar met 13.000 verminderen (en daarmee dus ook de ziektekosten) als we de inname van verzadigde vetten (uit vlees en zuivel) één procent naar beneden halen. En volgens de FAO is veeteelt een van de drie belangrijkste oorzaken voor elk belangrijk milieuprobleem, van klimaatverandering tot luchtvervuiling, landdegradatie, verlies aan biodiversiteit en waterschaarste. Door minder massaal dieren te kweken, kunnen we hen bovendien een iets menswaardiger leven bieden.
Als we zoveel problemen tegelijkertijd kunnen aanpakken via onze vleesconsumptie, mogen we dan blijven zeggen dat biefstuk en kotelet nu eenmaal te lekker zijn om te laten liggen? Moeten we het laatste woord voor eeuwig aan de economische belangen laten? En wat de consument betreft: is minder vlees eten zo onrealistisch als Draulans en anderen ons willen doen geloven? Dat we vandaag elke dag (of drie keer per dag) vlees kunnen eten, lijkt voor ons de grootste evidentie, terwijl het echter een erg recent fenomeen is. De juiste overheidsstimuli en sensibiliseringscampagnes kunnen ervoor helpen zorgen dat we wél de richting van minder vlees uitgaan. Een recent onderzoek in Nederland wees alvast uit dat zeventig procent van de Nederlanders een vleesloze dag prima vindt. Vlamingen kunnen alvast beginnen met Donderdag Veggiedag.
Tobias Leenaert -Coördinator van EVA vzw (www.vegetarisme.be)